Spring naar het artikel

Ieder jaar moet in Rotterdam weer een groot aantal rioolbuizen worden vervangen. De gemeente stelt aan die rioolbuizen steeds hogere milieueisen. Leveranciers moeten daarom verplicht de ‘milieukostenindicator’ gebruiken.

De vraag naar rioolbuizen kende in de jaren ’60 en ’70 een flinke piek. De vele nieuwbouwprojecten – waaronder de zogeheten VINEX-wijken – zorgden voor een grote behoefte aan snel leverbare rioolbuizen. Vanaf de jaren ‘90 vlakte die groei af en begon er vooral een vervangingsmarkt te ontstaan. Kwaliteit en levensduur werden steeds belangrijker criteria. Logisch, want hoe langer een buis meegaat, hoe minder vaak de straat opengaat. En als een straat minder vaak open hoeft te worden gebroken, scheelt dat veel overlast. Voor de bewoners, maar ook voor het milieu.

Nieuwe mengsels

De milieubelasting door rioolbuizen wordt niet alleen beïnvloed door de levensduur, maar bijvoorbeeld ook door het productieproces en de benodigde transportkilometers. Daarom gebruikte de gemeente Rotterdam bij haar laatste aanbesteding voor rioolbuizen voor het eerst de zogeheten milieukostenindicator (MKI): een rekenformule die alle relevante milieueffecten vertaalt naar een totaalscore. Leveranciers werden nog steeds beoordeeld op prijs en kwaliteit, maar kregen bij een lage MKI-score een fictieve korting op hun aanbiedingsprijs.

Een van de partijen die de opdracht gegund kreeg – mede dankzij een goede MKI-score – is De Hamer Beton, onderdeel van de BTE Groep. “De grootste milieu-impact bij de productie van rioolbuizen komt van het cement, een grondstof voor beton”, vertelt Eric de Groot, directeur van De Hamer. “Bij de productie van cement komt namelijk veel CO2 vrij. Door nieuwe mengsels uit te proberen met minder of ander cement, proberen we onze milieu-impact te verlagen. De MKI is hierbij een handig hulpmiddel: daarmee kunnen we direct zien wat een ander mengsel betekent voor de totale milieu-impact.”

 

De andere partij die rioolbuizen levert aan Rotterdam is LBN Betonproducten. Ook dit bedrijf zoekt continu naar manieren om duurzamer te werken. Niet alleen door andere mengsels en cementtypes te gebruiken, maar ook door te kiezen voor alternatieve energiebronnen. “Voor de productie van rioolbuizen is onder meer trillingsenergie nodig”, legt directeur Hans Kamminga uit. “Steeds meer van deze energie wekken we op met onze eigen zonnepanelen. Onze groene stroom gebruiken we bijvoorbeeld ook voor de verlichting in onze fabrieken. Dit sluit aan bij het Nationaal Betonakkoord, waar de hele sector zich in 2018 aan heeft gecommitteerd. Verlaging van CO2-uitstoot is daarin een belangrijke pijler.”

Transport

Naast cement is voor de productie van beton zand en grind nodig. “Onze fabrieken zitten daarom vlakbij zand- en grindhoeves”, vertelt Kamminga. “Dat scheelt veel CO2-uitstoot. Het vervoer van de fabriek naar de bouwplaats gebeurt nog met vrachtwagens die op diesel rijden. Als het gaat om CO2-uitstoot kunnen we daar nog veel winst behalen.”

Elektrisch transport van rioolbuizen is voorlopig nog niet mogelijk: daarvoor is de lading te groot en zwaar. Kansen liggen er vooral in een betere organisatie, weet Kamminga. “Nu komt het nog weleens voor dat er een half gevulde vrachtwagen naar de bouwplaats rijdt, en een lege weer terug. Dat willen we zoveel mogelijk voorkomen, en daarvoor is meer afstemming nodig tussen alle betrokken partijen: leverancier, transporteur, gemeente en aannemer. Idealiter wordt er in de planning van rioolwerkzaamheden al gestreefd naar goed gevulde vrachtwagens. Je kunt bijvoorbeeld de werkzaamheden zo plannen dat je met de benodigde materialen precies een volle rit kunt plannen.”

Interpretatieverschillen

Dat de gemeente Rotterdam de MKI heeft ingezet in een aanbesteding vinden beide betonproducenten een goede ontwikkeling: het kan de betonsector helpen verduurzamen. Maar een onderlinge vergelijking tussen de producten van verschillende leveranciers op basis van de MKI-score is nog maar beperkt mogelijk, vertelt De Groot. “Als producent zijn wij vaak nog afhankelijk van onze leveranciers. Voor sommige partijen is het denken in milieubelasting nog best wennen. Neem de inkoop van zand en grind. Waar we vroeger alleen om een bepaalde gradatie vroegen, willen we nu opeens de milieukosten weten. Idealiter gaan onze leveranciers de MKI-score ook als kans zien; cementproducenten kunnen er bijvoorbeeld op gaan concurreren met elkaar.”

Ook andere gemeenten vragen steeds vaker om een MKI-score. Om die te bepalen moeten leveranciers een levenscyclusanalyse (LCA) laten uitvoeren door een gecertificeerd adviesbureau. Recentelijk zijn er binnen de branche afspraken gemaakt over een zogenaamde BRL (beoordelingsrichtlijn). “Per strekkende meter riolering kan elke leverancier daarmee zelf een MKI-waarde gaan bepalen”, legt De Groot uit. “Opdrachtgevers kunnen zo steeds makkelijker een vergelijking maken tussen oplossingen en aanbieders.” Hoewel de BRL een belangrijke stap vooruit is, zouden gemeenten volgens Kamminga wel nog wat uniformer kunnen uitvragen. “Nu komt het nog voor dat gemeenten voor iedere buisdiameter een aparte LCA aanvragen. Idealiter vragen alle gemeenten de MKI-score op voor een en dezelfde buisdiameter.”

Recycling

In het Nationale Betonakkoord is naast CO2-uitstoot ook recycling een belangrijk aandachtspunt. Ook bij rioolbuizen wordt gekeken naar toepassing van gerecycled materiaal, maar hier wordt niet lichtzinnig over gedacht. De Groot: “We hebben te maken met verschillende keurmerken en certificaten: de kwaliteit van het beton moet geborgd blijven. Daar komt bij dat recycle-doelstellingen soms niet samen gaan met CO2- doelstellingen. De cementbehoefte kan namelijk hoger zijn bij de toepassing van gerecycled materiaal, wat weer negatief kan uitpakken voor de MKI-waarde.”

Ook in het ontwerp van de buizen blijven beide bedrijven verbetering zoeken, bijvoorbeeld in de dikte van de buis, of in de vorm. “Een eivormige buis zorgt voor een constante stroomsnelheid, en daarmee minder slijtage”, vertelt De Groot. Bij LBN werken ze aan een innovatief warmtewisselsysteem. “Dit systeem onttrekt warmte uit afvalwater”, legt Kamminga uit. “Met een warmtepomp kan die warmte worden opgewaardeerd en bijvoorbeeld benut worden voor de verwarming van woningen.”

Meer weten? Lees dit artikel in GWW Totaal.